Verongelijkt

 

Ik zit verongelijkt op de bank. Verongelijkt. Een prachtig woord eigenlijk. Je hebt misschien in de verste verte gelijk of misschien wel ongelijk. Dat maakt niets uit. In ieder geval ben je tekort gedaan, ongelukkig, nors en zeker zonder schuld, tenminste dat vind je zelf.

Zojuist heb ik de kerstboom afgetuigd. Alles opgeruimd, de kamer gezogen en ik zit even uit te puffen op de bank. Precies in diezelfde tijd blijkt de kwal van een paar huizen verderop ook zijn boom te hebben opgeruimd. Ik zie hem net het kale ding naar buiten brengen.

Daar kan ik dus helemaal niet tegen. Iemand waar ik een hekel aan heb, die dan hetzelfde doet als ik en dan ook nog op hetzelfde moment. Walgelijk. Net zoiets als dat je eetlust wordt bedorven doordat je ziet dat een viespeuk, op hetzelfde moment als jij, een hap van zijn brood neemt.

Terug naar de kwal. Op hoge toon legt hij een andere buur uit waarom hij voor de klus werkhandhandschoenen heeft aangetrokken: hij wil zijn handen sparen voor het edele werk. Ja, wat dat precies is, kan ik niet verstaan. Sinds mensenheugenis is hij gepensioneerd en hij lijkt mij niet het type dat zijn vrouw fijnzinnig bespeelt.

Die van mij komt net naar beneden, lang uitgeslapen. In plaats van dat ze mij hartstochtelijk bedankt voor mijn ochtendarbeid, gaat ze zwijgend aan tafel zitten en steekt haar eerste sigaret op. Ik kijk naar buiten, verongelijkt.

(uit: ‘Verdwaalde Hagel’, 2015)

Verongelijkt